Geschreven door Jacob Slavenburg, een van onze docenten, voor Jubileumboek Jung 2025 – De Reis van de Held. Dit boek verscheen op 26 juli 2025, precies 150 jaar na de geboorte van C. G. Jung.
Zeven preken tot de doden
Het is 1916. Carl Gustav Jung schrijft aan zijn Septem Sermones ad Mortuos. Een geschrift voor – aanvankelijk – kleine kring.[1] Best een bijzondere tekst door de nogal revolutionaire inhoud. Jung begint het essay met: “Geschreven door Basilides in Alexandrië, de stad waar het Oosten aan het Westen reikt.” Hij begint dan de eerste van de zeven ‘onderwijzingen’ als volgt:
Hoor, ik begin bij het Niets. Het Niets is hetzelfde als de Volheid. In het oneindige is vol hetzelfde als leeg. Het Niets is zowel leeg als vol. Je kan ook evengoed iets anders van het Niets zeggen, bijvoorbeeld dat het wit of zwart is, of dat het bestaat, of niet bestaat. Wat oneindig en eeuwig is heeft geen kenmerken, omdat het alle kenmerken heeft. Het Niets of de Volheid noemen wij het pleroma. Daarbinnen houdt denken en zijn op, want het eeuwige en oneindige heeft geen kenmerken. Daarin is niemand, want anders zou hij zich van het pleroma onderscheiden en kenmerken hebben die hem als iets van het pleroma onderscheiden. In het pleroma is niets en alles. Het is zinloos over het pleroma na te denken, want dan zou men zichzelf volledig moeten kunnen wegcijferen.[2]
We hebben het hier over een gnostische tekst. Ver voor de ontdekking van de Nag Hammadi-geschriften in 1945 hield Jung zich bezig met de gnostiek. Hij verdiepte zich in de vroege kerkvaders en wat zij schreven over de ‘gnostische ketters’. Basilides was een vroegchristelijke gnostische leraar in Alexandrië, die doceerde van 117 tot 138 n.Chr. Basilides werd in de geschriften van de vroege kerkvaders, zoals bij Ireneüs, verketterd. Ireneüs van Lyon beschrijft in zijn Adversus Haereses (Tegen de ketters)[3] hoe Basilides het pleroma beschrijft. Het pleroma staat voor de volheid, een staat van Zijn, voorafgaand aan de manifestatie van de goddelijke wereld. Alles begint met ‘Metropater’, bron van waaruit een aantal andere goddelijke gestalten voortvloeien, te beginnen bij het goddelijk paar Anthropos en Sophia. Uit dit Vader-Moeder paar ontstaan dan weer andere krachten, eonen genaamd.
Jung volgt in Septem Sermones ad Mortuos de opvatting van de gnostici dat er boven de bijbelse schepper-God een nog hogere kracht is, die hij, evenals Basilides, Abraxas noemt: “dit is een God, van wien gij niet wist”[4].
Sophia
Het is opvallend dat in de gnostische scheppingsmythen, zoals weergegeven in de Nag Hammadi-geschriften, sprake is van de figuur van Sophia. Eigenlijk twee Sophia’s. De ene, die vaak de Grote Sophia wordt genoemd en de syzygos (paargenoot) is van Anthropos, en de andere, die vaak kleine Sophia genoemd. Die laatste betreft een eon aan de rand van het pleroma, die door een ‘misstap’ een andere zijnswereld schept. Over die duistere zijnswereld komt dan de scheppergod (demiurg) Jaldabaoth regeren.
Dat komt zo: Omdat (de kleine) Sophia vanuit haar vrouwelijke hoedanigheid, zonder contact met haar mannelijke paargenoot, een wezen schept, is haar vrucht onvolkomen, een misgeboorte. Zij breekt als het ware door de schaal van licht (het pleroma) heen, waardoor de duisternis, chaos, manifest wordt. In die chaos dient ordening, kosmos, aangebracht te worden en daarom stelt Sophia over die duisternis een heerser aan.
En het (de demiurg) vertoonde geen gelijkenis met de beeltenis van zijn moeder want het had een andere vorm. En toen ze (Sophia) zag dat het voorwerp van haar verlangen de vorm had aangenomen van een draak met de kop van een leeuw en met ogen als vurige bliksemschichten, wierp zij het ver van zich weg, opdat niemand van de onsterfelijke (wezens) het zou zien, want ze had het in onwetendheid geschapen. En ze omwikkelde het met een lichtgevende wolk en zette een troon midden in die wolk, opdat niemand het zou zien, behalve de heilige Geest, die genoemd wordt: de Moeder van de Levenden. En zij noemde het Jaldabaoth.[5]
En die heerser, ook wel de demiurg of hoofdarchont genoemd, gaat op zijn beurt aan het scheppen[6]: andere goden, krachten en machten, ook wel (lagere) engelen genoemd. Zij vormen een kosmos, een zichtbare wereld. Daarna zet deze demiurg zich, samen met zijn krachten, aan de schepping van de planeten, de aarde, en daarna ook de mens.[7]
Maar als de demiurg iets schept, kan dat niet de ware mens (Adam) zijn. Hij maakt met behulp van zijn ondergeschikte machten slechts een levenloze pop. Sophia stuurt dan, vanuit den hoge, haar adem in het menselijk schepsel; daardoor krijgt de mens een ziel.[8]
Veelvuldige Wijsheid
Ook de volgelingen van de gnostische leraar Valentinus maakten een duidelijk onderscheid tussen de ’grote Sophia’, de directe vrouwelijke zijnskant van God, ook wel met Heilige Geest aangeduid, en de ‘kleine Sophia’ die voor het lek in het pleroma zorgt en dus indirect de voortbrengster van de demiurg en de materie is. Je zou je kunnen afvragen of die kracht, die iets onvolkomens tot stand brengt, ook Sophia (wijsheid) wordt genoemd. Dat is dan wel geredeneerd vanuit de opvatting dat de materie slecht is (en de christelijke gedachte dat de mens zondig is ‘van zijn hoofdharen tot zijn voetzolen’).
Er zullen zeker gnostische groeperingen zijn geweest die de ‘overtreding’ van Sophia betreurden, omdat daarmee de zuiverheid van de lichtwereld, het pleroma, besmeurd is. Maar andere gnostici, zoals de volgelingen van Valentinus, zagen dat anders. In het Evangelie volgens Filippus uit de Nag Hammadi-vondst lezen we:
Sophia die ze `de onvruchtbare (wijsheid)’ noemen, is de moeder [van de] engelen en de metgezellin van de [Heer]; als zodanig heet ze Maria Magdalena.[9]
Op het eerste niveau is Sophia de draagster van de Heilig Geest, op het tweede niveau is ze de metgezellin van de zondeloze Jezus. Sophia is als het ware dus een heldin (om bij het thema van dit boek te blijven), omdat ze door haar ‘offer’ de materie, met alles erop en eraan, manifest maakt. Als alles alleen in de wereld van Geest (het pleroma) opgesloten zou zijn gebleven, zou er nooit iets gebeurd zijn en zouden er geen entiteiten, engelen en mensen zijn om het te kennen, om zich ervan bewust te worden. De materie is de stof waarin de mogelijkheid schuilt tot volledig bewustzijn te komen. Dat is pas wijsheid.
De schijnbare dualiteit die eenheid is
Opvallend is de gestalte in de mystieke hymne in de tweede tekst van de zesde codex uit de Nag Hammadi-vondst, waarin een openbaringsgestalte, vaak als Sophia gezien, uitroept:
Ik ben de eerste en de laatste.
Ik ben de vereerde en de verachte.
Ik ben de hoer en de heilige.
Ik ben de vrouw en de maagd.
Ik ben de moeder en de dochter.
Ik ben de leden van mijn moeder.
Ik ben de onvruchtbare,
en vele zijn mijn kinderen.
Ik ben het wier bruiloft schitterend is
en ik ben niet gehuwd.
Ik ben de kraamvrouw
en zij die niet baart...[10]
In het vroege christendom horen we niet veel meer over Sophia. Alleen in de Oosterse Kerk wordt Sophia vaak afgebeeld als een vrouwelijke figuur, die symbool staat voor de goddelijke Wijsheid en die betrokken is bij de schepping. Zij geeft leiding aan de mensheid en brengt de openbaring van God aan de wereld over. In veel afbeeldingen vinden we haar met een kroon, een scepter of een boek, symbolen van haar koninklijke en onderwijzende rol.
Joodse literatuur
In de joodse literatuur speelt Sophia een veel belangrijker rol. Zij staat daar voor Chokma, Wijsheid, de afstraling van God. God wordt gezien als de bedenker van al wat is; Wijsheid is de uitvoering daarvan. De oudtestamentische traditie kent diverse wijsheidsgeschriften, zoals Psalmen, Spreuken, Prediker, Hooglied, Wijsheid van Jezus Sirach en Wijsheid van Salomo. Daar lezen we:
Alles wat verborgen en zichtbaar is heb ik leren kennen, Want de wijsheid, de maakster van alles heeft mij onderwezen. In haar is een geest, die verstandig is, heilig, uniek, veelzijdig, subtiel, beweeglijk, doordringend, smetteloos, helder, onkwetsbaar, bedacht op het goede, scherpzinnig, onweerstaanbaar, weldadig, menslievend, standvastig, onwankelbaar, onbekommerd, alles vermogend, alles overziend, alle geesten doordringend, hoe verstandig, zuiver en subtiel ze ook zijn.
Want de wijsheid is beweeglijker dan alle beweging; zij doordringt en verspreidt zich in alles door de kracht van haar zuiverheid.
Want zij is de ademtocht van Gods kracht en de pure afstraling van de heerlijkheid van de Almachtige…
Want God bemint alleen diegene die met de wijsheid samenwoont.
Want zij is mooier dan de zon en overtreft de hele sterrenhemel…
Machtig reikt zij van het ene einde tot het andere en op voortreffelijke wijze bestuurt zij alles.[11]
Eenzelfde opvatting zien we in Spreuken:
… door Wijsheid heeft de Heer de aarde gefundeerd … de Heer schiep mij (Wijsheid) aan het begin van zijn wegen, nog voor zijn werken, van oudsher. Van eeuwigheid ben ik gevormd, vanaf het begin, voordat de aarde ontstond….[12]
Philo van Alexandrië stelt dat God de echtgenoot van Wijsheid is.[13]
Ook In het boek Job wordt Wijsheid beschreven als een gestalte wiens weg alleen door God zelf wordt begrepen.[14]
Het is vooral ook in het omstreden werk van Jung, Antwoord op Job, waarin Sophia veelvuldig voorkomt. Dat boek, bepaald geen gnostisch werk, komt uit in 1952.
Een jaar later gebeurt er iets dat wel alles met gnostiek te maken heeft…
De Codex Jung en de Gnosis
Op 15 november van het jaar 1953 vindt in het gildehuis Zum Rüden in het Zwitserse Zürich een opmerkelijke bijeenkomst plaats. Voor een select gezelschap, waaronder de Nobelprijswinnaar Wolfgang Pauli, vindt de overdracht plaats van de zogenaamde Codex Jung. Wat was deze codex en wat had hij met Jung te maken?
Het verhaal begint acht jaar daarvoor. In december van het jaar 1945 stoot een Arabische boer bij de Midden-Egyptische plaats Nag Hammadi bij toeval op een kruik, bedolven onder het Nijlzand. De nog jonge boer is bang dat er een djinn, een boze geest, in huist en gaat raad vragen aan zijn broers en enkele vrienden. De hele dag zitten ze op hun hurken rond de vreemde vondst. Maar uiteindelijk wint de hoop dat de kruik een schat vol goud en zilver zal bevatten het van de angst voor de djinn en de kruik gaat aan gruzelementen. Tot teleurstelling van de vinders bevat de gebroken kruik geen goud en zilver. Tot op de dag van vandaag hebben deze eenvoudige boeren nooit kunnen bevroeden dat hun vondst ieder gewicht in goud en zilver te boven gaat. Ze hadden namelijk de ontdekking van de eeuw gedaan. De Nag Hammadi-geschriften !
Wat sip keken de vinders naar de twaalf lederen banden (met dertien codices) die uit de kruik tevoorschijn kwamen. Geklemd tussen de leren omslagen was een groot aantal beschreven papyrusbladen. Zelfs al hadden ze kunnen lezen, dan nog hadden ze de teksten niet kunnen ontcijferen. Ze waren in een taal gesteld die ze niet kenden en die ze ook niet spraken, Koptisch.
Duidelijk was in ieder geval dat het wel iets ouds moest zijn en helder was ook dat daar misschien iets mee te verdienen viel. En zo begon de verstrooiing van de mijns inziens belangrijkste archeologische vondst van de twintigste eeuw, de Nag Hammadi-geschriften.
Al snel na de vondst verdwenen de geschriften in het antiquarische circuit. Een van de dertien codices werd aangekocht door het Koptisch Museum in Caïro, een aantal andere kwamen uiteindelijk terecht bij een Cypriotische antiquair en konden later door het Koptisch Museum in beslag worden genomen. Eén codex was echter in de Verenigde Staten terecht gekomen. Dat was nota bene de eerste van de dertien codices en zeker niet de onbelangrijkste.
Jung en Gilles Quispel
De Utrechtse hoogleraar Gilles Quispel hoorde in 1947 van een Franse collega, Jean Doresse, dat er in Egypte belangrijke gnostische teksten waren gevonden, waaronder het Evangelie der Waarheid van de mysticus Valentinus uit de tweede eeuw. Nu was Quispel bijzonder geïnteresseerd in de gnostiek in het algemeen en in Valentinus in het bijzonder. Hij was gepromoveerd op een proefschrift over Tertullianus, een van de felste bestrijders van deze Valentinus. En juist het Evangelie der Waarheid, van de hand van deze verketterde Valentinus, zou zich bevinden in de codex die in Amerika beland was.
Er moest iets gebeuren. Quispel nam contact op met Jung. Quispel kende Jung van de Eranos-conferenties en wist dat deze een grote belangstelling voor de gnostiek koesterde. Jung benaderde Barrett, de directeur van de Bollingen Foundation. Deze probeerde Paul Mellon, een belangrijke Amerikaanse begunstiger van de stichting, voor de zaak te interesseren.
In augustus 1951 vond op de Eranos-conferentie in Ascona een bespreking plaats tussen dr. Meier uit Zürich, een vooraanstaand medewerker van Jung, de Franse onderzoeker Puech en Gilles Quispel. Afgesproken werd dat er gepoogd zou worden de ‘Amerikaanse codex’ aan te kopen. Bollingen zou het geld ervoor fourneren en de verworven codex zou naar Jung worden vernoemd. Zo kreeg de avontuurlijke codex een naam: de Codex Jung. En, nog belangrijker, Jung bedong tevens dat de codex aan Egypte overgedragen zou worden onder voorwaarde dat daartoe uitgeruste wetenschappers inzage in alle teksten van de andere codices mochten hebben en deze mochten bestuderen. Als dat ook met de in dezelfde tijd ontdekte Dode Zee-rollen zou zijn gebeurd, zouden deze bespaard zijn gebleven voor onnodige schandalen en, erger nog, het pas vrijgeven van de teksten na een halve eeuw. Voor de publicatie van de Nag Hammadi-geschriften was deze overeenkomst een zegen. In de vroege jaren zeventig werden alle papyri gefotografeerd en gebonden in een reeks facsimile-uitgaven.
Anima
Zoals we hiervoor zagen kwam Jung in zijn eerdere onderzoek bij de vroege kerkvaders ook bij Valentinus uit. Jung verbond de door deze gnostische leraar genoemde syzygiën (paargenoten) met het Anima-archetype.
De anima ontmoeten we historisch vooral in de goddelijke syzygieën, namelijk de man-vrouwelijke goddelijke paren. Deze wortelen enerzijds in het duister van de primitieve mythologie, en monden anderzijds opwaarts uit in de filosofische speculaties van het gnosticisme en de klassieke Chinese filosofie, waar het cosmogone paar yang (mannelijk) en yin (vrouwelijk) wordt genoemd. Over deze syzygie kunnen we rustig beweren dat ze even universeel voorkomt als man en vrouw. Uit dit feit volgt meteen de conclusie, dat de menselijke verbeelding aan dit motief gebonden is, zodat deze overal en altijd gedwongen wordt, steeds weer hetzelfde te projecteren…
Iemand die dus de universele verbreiding en betekenis van het syzygiemotief (paringsmotief) in de psychologie van primitieve volkeren, in de mythologie, in de vergelijkende godsdiensthistorie en in de literatuurgeschiedenis niet kent, kan nauwelijks meepraten over het begrip anima.[15]
In zijn onderzoekingen naar de gnostiek werd Jung ook geholpen door de ontdekking van een gnostische tekst die Constantin von Tischendorf publiceerde in zijn Acta Apostolorum Apocrypha, namelijk de Handelingen van Johannes[16]. Jung sprak daarover in zijn lezing Paracelsus als ein geistiges Phänomen op de Eranos-conferentie in 1941. Het geschrift sprak Jung aan, omdat daarin een scheiding wordt gemaakt tussen Jezus, de mens, en Christus, de geesteskracht. Jung vertelt:
Vanuit deze gezichtshoek is een onderschatting en verachting van het gnosticisme niet meer op zijn plaats. Zijn duidelijk psychologische symboliek zou in onze tijd voor heel wat mensen een brug kunnen worden tot een levendiger begrip van de christelijke traditie.[17]
Met het voortschrijden der jaren bemerkt Jung echter dat voor zijn probleemstellingen van de gnostici, zoals beschreven bij de kerkvaders, voor hem niet meer relevant waren. Hij richt zich op de alchemie. Dit zou de schakel blijken te zijn tussen de gnostiek en de moderne psychologie van het onbewuste.
En dan zijn er plots de Nag Hammadi-geschriften, teksten van de gnostici zelf !
De Codex Jung
We gaan terug naar de overdracht op 15 november 1953. Gilles Quispel was uiteraard een van de sprekers. Hij verhaalde de geschiedenis van de aankoop en gaf enige informatie over de inhoud van de nu definitieve Codex Jung. Daarna ging hij in op de verbinding Jung – gnosis:
Bij buitenstaanders zal wellicht de vraag opkomen, waarom nu juist een psychiater deze gnostische codex ten doop moest houden. Daarover kan in het algemeen gezegd worden, dat de onderzoekers van de Gnosis zeer veel dank verschuldigd zijn aan de leer der archetypen van Jung. Zeker, deze leer is bedoeld als een wetenschappelijke psychologie en heeft als zodanig de proef doorstaan. Het is echter gebleken, dat deze theorie ook belangrijk is als heuristisch principe voor het godsdiensthistorisch onderzoek in het algemeen en voor het onderzoek van de Gnosis in het bijzonder. Wanneer mijn collega Puech er steeds de nadruk op legt dat de Gnosis ‘bewustwording is van het ware Zelf’, en wanneer ik als kenmerkend voor de Gnosis de uitlatingen van de volgelingen van Valentinus heb aangehaald, dat ‘de Geest, zich van zichzelf bewust geworden, tot zijn oorsprong is teruggekeerd’, dan heeft hier het begripsmateriaal van Jung de ogen voor het eigenlijke en wezenlijke gescherpt. Het is een goed ding, dat het nieuwe materiaal deze interpretatie van de Gnosis volkomen bevestigt.[18]
Uiteraard voerde ook de toen reeds 78-jarige Carl Gustav Jung het woord:
Van de vier verhandelingen in de codex zou ik er een uit willen lichten, een belangrijke Valentiniaanse tekst, die ons een blik laat slaan in het geestesleven van de tweede eeuw. Het is het Evangelie der Waarheid, dat niet zozeer een evangelie is als wel een commentaar op de christelijke boodschap. Daarmee hoort het in de reeks van vele pogingen tot integratie die de vreemdsoortige en moeilijk te begrijpen inhoud van de christelijke verkondiging op het niveau van de toenmalige Hellenistisch-Egyptische geesteswereld trachtten te assimileren. Het is duidelijk dat de schrijver van deze verhandeling een beroep doet op het begrip van zijn lezer… Christus is voor hem in de eerste plaats een lichtbrenger, uit de Vader voortgekomen om de bedomptheid, duisternis en onbewustheid van de mensheid te verhelderen en het individu door zelfkennis tot zijn oorsprong terug te voeren. De verlossing uit de onbewustheid treft men ook in andere, al bekende gnostische geschriften aan. Zij bevatten alle de psychische reacties die de gestalte en de boodschap van Christus in de heidense wereld hebben opgeroepen, typische symbolen als vis, slang, leeuw, pauw, enz., maar ook de veel verder gaande amplificaties van de gnostiek, die ten doel hadden de metafysische betekenis van de brenger van het heil nader toe te lichten en begrijpelijker te maken.
Op het moderne verstand echter heeft deze opeenhoping van symbolen en gelijkenissen de tegenovergestelde uitwerking; op die manier wordt namelijk de duisternis nog groter en de gestalte die verduidelijkt moet worden, wordt in een netwerk van ten dele moeilijk te begrijpen analogieën opgelost.
De gnostische amplificatie heeft iets van een hymne en van een droom; dat gebeurt altijd, wanneer een opgewonden fantasie zich inspant om een nog onbewuste inhoud te verduidelijken. Enerzijds zijn het filosofische of liever theosofische bespiegelingen, anderzijds zijn het symbolen van psychische aard. Het verschijnsel van de integratie toont de reacties aan het onbewuste, dat in beroering gebracht is en met archetypische beelden antwoordt; daarmee toont het hoezeer de boodschap in de diepte van de psyche gedrongen is en hoe het onbewuste de verschijning van Christus uitlegt.[19]
Jung heeft niet alle 52 teksten die bij Nag Hammadi zijn gevonden meer kunnen lezen. Hij zou verrukt zijn geweest als hij in het ‘Evangelie van Filippus’[20] mooie dingen had mogen lezen over de syzygiën, de paargenoten, en vele andere schone en diepgravende teksten. Met de kennis van deze bronnen groeit de achting voor het werk van Jung, die uit het povere en subjectieve materiaal van de kerkvaders de werkelijke waarde van de Gnosis kon distilleren. Sophia is ingedaald.
Noten
[1] In 1916 liet Jung deze zeven preken in privé-druk verschijnen. Ze zijn nooit in het reguliere boekencircuit te koop geweest. Daarom is het des te kwalijker dat Martin Buber, die toevallig via een aanhanger van Jung deze tekst in handen had gekregen, de brochure gebruikte om Jung aan te vallen en hem uit te schelden voor ‘gnosticus’. Dat alles heeft Jung geraakt. In 1954, dus al na de overhandiging van de Jung Codex, schreef hij aan zijn vriend Erich Neumann: “De benaming gnosticus zou ik zonder meer kunnen aanvaarden, wanneer het in de mond van een theoloog geen scheldwoord zou zijn”.
[2] Septem Sermones ad Mortuos Eerste ‘preek (in de vertaling van Marcel Roggemans). Het geschrift is ook opgenomen in C.G. Jung en Aniela Jaffe, co-auteur: Pety de Vries-Ek, Herinneringen, dromen, gedachten, Lemniscaat Rotterdam 1991.
[3] Adversus haereses boek 1, hoofdstuk 24.
[4] Septem Sermones 2.
[5] Geheime boek van Johannes (NHC – Nag Hammadi Codices – II, paragraaf 27-28).
[6] In de gnostiek wordt deze valse scheppergod, de demiurg, gelijkgesteld met Jahweh.
[7] Geheime boek van Johannes (NHC III.1, paragraaf 24).
[8] Wezen van de Machten (NHC II.4, p[88]).
[9] Evangelie volgens Filippus (NHC II.3, paragraaf 46 [55].
[10] Donder, Volmaakt Bewustzijn, NHC VI,2.
[11] Wijsheid (van Salomo) 7:21-8:1.
[12] Spreuken 8:22-28.
[13] Philo, On the Cherubim XIV.49.
[14] Job 28:13-28.
[15] ‘Het archetype en het begrip “anima”’ in C.G.Jung, Archetype en onbewuste, Verzameld Werk 2, p.136.
[16] Dit geschrift is ook opgenomen in J.Slavenburg (red.), Het Grote Boek der Apokriefen, Deventer 2009.
[17] Lezing gehouden tijdens de Eranosconferentie 1941.
[18] Weergegeven in: H.Ch.Puch en G.Quispel, Op zoek naar het Evangelie der Waarheid, Nijkerk z.j.
[19] Weergegeven in: Aalders/Plokker/Quispel, Jung – een mens voor deze tijd, Rotterdam 1975.
[20] De complete teksten in J.Slavenburg/W.G.Glaudemans, De Nag Hammadi-geschriften, Deventer 2014 (6e druk).